Ontwerpen van bewegingssituaties voor het S(B) O

Ontwerpen van bewegingssituaties is een kerntaak van de leerkracht bewegingsonderwijs. Maar hoe houd je rekening met al die verschillende niveaus in bewegingsvaardigheid, cognitief vermogen en motivatie en interesse?

Vaak zien we dat deelnemers die iets (nog) niet kunnen, te moeilijk of te makkelijk vinden, eng of juist saai dat zij gedrag gaan vertonen waar anderen last van hebben. Dit wordt wel compensatoir gedrag genoemd. Deelnemers verdwijnen, of gaan juist de activiteit voor anderen belemmeren.

Aan de hand van een ontwerpkader ontworpen studenten een bewegingsactiviteit voor iemand waarbij zij een vorm van compensatoir gedrag herkenden. Dit kon zijn iemand die zij op dat moment in de les hadden, maar dat kon ook een familielid of vriend(in) zijn.

In een vlog lieten studenten beelden zien van het proces bij het uitvoeren van de bewegingsactiviteit.

Daarna werden zij door een medestudent geïnterviewd over het proces. Hieronder een voorbeeld van een interview van Eva door Anouk.

1.         Hoe heb jij je doelen opgesteld? Samen met de deelnemer, na een nulmeting of vooraf?

De doelen heb ik opgesteld aan de hand van gesprekken die ik eerder wel eens met haar heb gevoerd. Daarin gaf ze aan dat ze de push-up erg lastig vindt. Ik heb hiervoor dus geen nulmeting gedaan maar doelen gesteld waarvan ik dacht dat ze progressie kon gaan boeken.

2.         Heb je vooraf wel een duidelijke beginsituatie kunnen schetsen?

Voor de push-up was heel duidelijk dat ze maximaal 1 herhaling kon maken waarbij de push-up met een correcte techniek werd uitgevoerd. Voor de vereenvoudigingen van de push-up wist ik niet hoe goed ze in staat zou zijn om deze goed uit te voeren en of ze hierin niet de vermijdende vorm van compensatoir gedrag zou laten zien.

3.         Hoe heb jij ervoor gezorgd dat ze deze vermijdende vorm van compensatoir gedrag niet tijdens deze oefeningen zou gaan vertonen?

Dit heb ik gedaan door te beginnen met relatief makkelijke oefeningen waarbij ze vooral veel succeservaring zou krijgen. Door die succeservaring wilde ik vertrouwen bij haar opbouwen om aan te geven dat ze de (makkelijkere) push-up kon uitvoeren. Daarnaast heb ik haar veel positieve feedback gegeven en continu (positief) gemotiveerd en geënthousiasmeerd.

4.         In hoeverre heb jij hiervoor de theorieën van Ryan en Deci, Csikszentmihalyi of Vygotsky gebruikt?

De zelfdeterminatietheorie van Ryan en Deci komt wel terug. Ik vond het namelijk continu belangrijk dat mijn deelnemer een competent gevoel ervaarde. Daardoor heb ik bewust gekozen voor een opbouw van makkelijk naar moeilijk.

5.         Waarom is die opbouw volgens jou zo belangrijk?

Omdat ik van mening ben dat als je iemand gelijk confronteert met datgene wat iemand heel lastig vindt, dat hij/zij sneller afhaakt en dat er daarnaast sneller compensatoir gedrag wordt opgeroepen. Dit wilde ik vermijden. Naar mijn idee kon ik dit vermijden door te beginnen met een makkelijke opbouw en zo mijn deelnemer vertrouwen te geven.

6.         Hoe heb jij je beweeg situatie aangepast om dit te bereiken?

Door in het begin te werken met oefeningen waarbij je tijdens het uitvoeren van de push-up niet gelijk je hele lichaamsgewicht hoeft te dragen. Door continu de push-up te maken met iets meer lichaamsgewicht werd het naar mijn idee steeds iets lastiger.

7.         En moest jij aan jouw docentgedrag nog iets aanpassen waardoor je uit je comfortzone moest?

Aan mijn docentgedrag hoefde ik niets aan te passen. Het motiveren en enthousiasmeren van mijn leerlingen of deelnemers vind ik altijd belangrijk en heb ik ook nu gedaan. Daarnaast pas ik het differentiëren op niveau ook per leerling toe. Dus ik hoefde hiervoor niet uit mijn comfortzone.

8.         Denk je dat je op deze manier de hoogst haalbare doelen hebt kunnen bereiken?

Mijn doel is behaald, dit was het uitvoeren van de push-up. Maar ik had zeker nog hogere haalbare doelen kunnen bereiken. Hier ben ik alleen niet zo mee bezig geweest omdat ik vooral het compensatoire gedrag wilde vermijden, dat was een van de hoofddoelen.

9.           Welke tools had je denk je nog meer kunnen of willen inzetten?

De tools die ik nog wel had kunnen of willen inzetten is mijn experiment onderbouwen aan de hand van theorieën van Vygotski of  Csikszentmihalyi. Misschien dat ik er dan op een andere manier nog meer uit had kunnen halen. 

10.         Tot slot, hoe bleef jij als beïnvloeder betrokken bij het uitvoeren van de opdrachten?

Door voorbeelden te geven van de oefeningen, continu bij mijn deelnemer te blijven, door te motiveren en enthousiasmeren (positieve feedback en complimenten). Door de deelnemer zich competent te laten voelen.