Pedagogische Tact

In deze masterclass gingen studenten op zoek naar de vraag: Wat is pedagogische tact voor jou? Wat doen leerkrachten die het volgens jou in de vingers hebben? De docent vroeg de studenten een vraag te formuleren en vervolgens, op zoek te gaan naar een antwoord aan de hand van een boek, een film of wellicht een muziekstuk. Vaak kwamen er antwoorden, en soms popte er nog meer vragen op, zoals in het essay van Noor Driessen. Zij ging op zoek naar het antwoord op de volgende vraag:    

Hoe zorg je ervoor dat leerlingen elke week uitkijken naar jouw les?

Bij elke film die ik zie, bij elk boek wat ik lees en bij elke podcast die ik luister waarin het gaat over het leraarschap probeer ik me te bedenken hoe je nou vol zelfvertrouwen en energie voor de klas kan staan en met diezelfde energie (of misschien zelfs meer) de klas weer uit kan lopen. Ik heb in de stages die ik heb gelopen gemerkt dat ik heel graag een leraar wil zijn waar de leerlingen tegenop kijken, die ze graag groeten in de gang en naar wiens les ze uitkijken. De leraar die ze na hun middelbareschooltijd noemen als ze gevraagd wordt van wie ze nou het meest hebben geleerd of wie ze toch wel een beetje gaan missen. Ik denk dat dit het streven van elke docent is, maar hoe kom je daar?

Allereerst verwacht ik dat deze vraag alleen nog maar meer vragen op zal roepen. Want welke aspecten zijn er belangrijk om het hierboven omschreven beeld te bereiken? Wat verlangen de leerlingen? Welke docenteigenschappen zijn er nodig en hoe ontwikkel je die? Ik realiseer mij dat dit misschien vragen zijn waar helemaal geen concreet antwoord op bestaat en dat je de eigenschappen die nodig zijn voor dit ultieme leraarschap vooral moet zoeken in 100 jaar ervaring, maar ik ga toch een poging doen om een stapje dichterbij een antwoord te komen. Daarvoor heb ik me verdiept in een aantal artikelen en in gedachten over ‘pedagogisch tact’ van medestudenten. Want om een goede leraar te zijn is het vooral heel belangrijk dat je pedagogisch tactvol kan handelen, maar wat is dat precies?

‘Op het goede moment het juiste doen, óók in de ogen van de leerling’ (Stevens &Bors,2014).

Dit is een van de omschrijving van wat pedagogisch tact precies is die ik heel kloppend vind. Behalve dat ie kloppend is, is deze omschrijving ook erg vaag. Want wat is ‘het goede moment’? En wat is ‘het juiste’? En hoe weet je, of dat wat je doet, ook in de ogen van de leerling het juist is? Uiteraard verschillen de antwoorden op deze vragen per situatie. Kenmerkend voor pedagogisch tactvol handelen is direct handelen, in een split second. Hiermee gaat gepaard dat dit directe handelen vaak gestoeld is op intuïtie en dat je ook door niets te doen tactvol kan handelen (Stevens & Bors, 2014). Hiermee komen we een stapje dichterbij het antwoord op onze vraag. Een van de uitkomsten van mijn medestudenten is hiermee in samenspraak, ‘Pedagogisch tact is het kunnen timen op het handelen naar de groep (wanneer grijp je in)’. Dit gevoel voor timing is, zoals eerdergenoemd, vaak vooral gebaseerd op intuïtie die je opbouwt door ervaring. Om bewuster te worden van deze timing zal ik in mijn lesgeven moeten gaan constateren wanneer mijn ingrijpen leidt tot constructieve verbetering en wanneer niet, zo kan ik erachter komen of ik op het juiste moment handel.

Het onderwijs gaat niet alleen over kwalificatie (kennis en vaardigheden) maar ook over socialisatie en subjectivering (Biesta, 2011). Om deze reden, zo stelt hij,

‘Moeten leraren niet alleen in staat zijn om oordelen te vellen over wat onderwijs pedagogisch gezien wenselijk is in relatie tot deze drie domeinen, maar dat ze ook in staat moeten zijn om oordelen te vellen over de wenselijke balans tussen deze drie domeinen omdat vooruitgang in relatie tot het ene domein niet noodzakelijk ook vooruitgang in de andere domeinen betekent’ (Biesta, 2011).

Het makkelijkst zou het zijn als er een handboek zou bestaan met daarin de stappen die je moet nemen om een goede leraar te worden. Zo simpel is het echter niet want het onderwijs is een ‘sociale kunst’, het gaat om de interactie tussen mensen en voor deze interactie is vaak geen instrumentele en technische kennis beschikbaar. Om deze reden is het belangrijk om de ‘hoe-vragen’ (Hoe zorg ik ervoor dat iedereen zich veilig voelt? Hoe ga ik om met leerlingen die niet luisteren etc.) constant in verbinding te zetten met ‘waarom-vragen’, zo blijf je kritisch nadenken over waarom je bepaalde beslissingen maakt en wat wel en niet wenselijk is (Biesta, 2011). Op die manier kan je ook tot de conclusie komen om, zoals ook al eerder genoemd, niet te handelen zodat een situatie zich vanzelf oplost. Deze nadruk op het intermenselijke contact was ook iets wat werd genoemd door mijn medestudenten, als belangrijke kwaliteit werd genoemd ‘verbinding maken tussen leerlingen onderling en tussen leerling en docent’.

Een ander aspect wat denk ik heel belangrijk is, en waarom leerlingen graag bij jou in de les komen, is sociale veiligheid. Leerlingen willen zich veilig en geaccepteerd voelen, dit kan bereikt worden door duidelijke kaders (grenzen) te stellen waarbinnen iedereen beweegt (letterlijk en figuurlijk). Voordat deze grenzen gesteld kunnen worden moet je erachter komen waar jouw grenzen liggen, ik denk dat ook dit iets is wat de ervaring je leert. Als je daar eenmaal achter bent kan je deze grenzen gaan aangeven. Om manieren te vinden om dit te doen heb ik heel veel gehad aan de artikelen van Hans Kaldenbach (Grenzen stellen aan korte lontjes in het onderwijs I, Grenzen stellen aan korte lontjes in het onderwijs II). Ook dit is een van de punten die ik uit het bestand, opgesteld door mijn medestudenten, heb gehaald. Het kennen van je eigen grenzen en daarnaar handelen. Los van deze grenzen is het ook belangrijk om je constant bewust te blijven van de verbinding (zie hierboven) die je hebt en maakt met de leerlingen. Het is dus heel belangrijk dat je een balans vindt tussen overwicht en toegankelijkheid.

Ik merkte dat ik tijdens het schrijven van dit product steeds verder afdwaalde van de vragen die ik mezelf had gesteld in de eerste twee alinea’s en dat er steeds meer vragen en kwaliteiten bijkwamen. Ik heb dus uiteindelijk geen eenduidig antwoord gevonden op de vragen die ik mijzelf heb gesteld maar ik ben me wel bewuster geworden van wat ik belangrijk vind in het docentschap en welke uitdagingen ik in de toekomst wil en zal gaan tackelen op mijn weg naar de docent die ik uiteindelijk wil zijn. Wat mij denk ik hel erg zou helpen daarin is meer nadruk op de stages die we lopen, hoe kies je de juiste stage en wat verwacht je van de begeleiding in jouw stagetraject? Lesgeven op school aan je medestudenten is daarbij, naar mijn mening, ondergeschikt aan lesgeven in de echte praktijk. Daarbij wil ik mij bij deze tot slot heel graag aansluiten bij de visie van Biesta op onderwijzen in het onderwijs.

‘Het opleiden van leraren dient gericht te zijn op het ontwikkelen van virtuositeit in het vellen van onderwijspedagogische oordelen. Waar het om gaat, is dat we de virtuositeit ontwikkelen om zulke oordelen onmiddellijk te vellen. Het gaat erom dat we het vermogen tot oordelen letterlijk in de vingers krijgen, net zoals bijvoorbeeld musici hun virtuositeit ontwikkelen. De enige manier waarop we virtuositeit in ons oordelen kunnen vormen en vervolmaken is door het oefenen van dat oordelen zelf. Dit betekent dat het oefenen van dit oordelen een centrale plaats in de opleiding van leraren dient in te nemen’ (Biesta, 2011).